Zoöfarmacognosie - Zelfselectie bij dieren
Nuchter, praktisch en natuurlijk
Terug naar de basis, naar wat klopt voor het dier. Zelfselectie, of zoöfarmacognosie, is daar een logisch onderdeel van. Geen methode of truc. Het is simpelweg het erkennen van iets wat er al is: het biologische vermogen dat dieren al miljoenen jaren gebruiken.
Het klinkt misschien complex, maar in de kern is het eenvoudig:
dieren voelen wat hun lichaam nodig heeft en kunnen daar, binnen een passend kader, naar handelen.
In deze blog: wat zelfselectie is, waar het vandaan komt, hoe het werkt, waar de grenzen liggen en vooral: wat onze rol als mens daarin is. Holistisch bekeken, maar onderbouwd door wetenschap en praktijk.
Wat is zelfselectie?
Zelfselectie is het vermogen van dieren om op basis van interne signalen planten, mineralen of andere natuurlijke stoffen te kiezen die bijdragen aan hun fysieke of emotionele balans. Het gaat daarbij niet alleen om ziekte, maar ook om preventie, herstel en regulatie. Bijvoorbeeld bij parasitaire druk, spijsverteringsproblemen, stress, herstel of hormonale balans.
Dit gedrag is evolutionair ingebakken. Wilde dieren doen het continu. Ze hebben geen etiketten nodig en geen diagnoses, maar reageren op veranderingen in hun lichaam via geur, smaak en sensaties. Zelfselectie is geen bewuste “ik neem dit want ik heb dat”-actie. Het is een zintuiglijk gestuurd proces, waarbij geur, smaak en soms zelfs aanraking anders worden waargenomen afhankelijk van wat het lichaam nodig heeft.
Gedomesticeerde dieren hebben dat vermogen nog steeds. Het is niet verdwenen. Het wordt alleen vaak onderdrukt door:
- eenzijdige voeding
- beperkte keuze
- gedwongen inname
- en goedbedoelde menselijke sturing
In de praktijk betekent dit dat je losse kruiden of natuurlijke producten aanbiedt, zonder ze te mengen of te forceren. Het dier kiest – of kiest niet. En ook niet kiezen is informatie.
Van observatie naar wetenschap.
Dat dieren zichzelf kunnen ondersteunen met planten is geen moderne ontdekking.
Hoewel mensen al duizenden jaren diergedrag observeren en daar kruidenkennis aan ontleenden, kreeg zelfmedicatie bij dieren pas in de jaren zeventig en tachtig serieuze wetenschappelijke aandacht.
Een klassiek voorbeeld is het werk van Huffman en Seifu (1989), die observeerden dat wilde chimpansees met darmparasieten gericht het bittere blad van Vernonia amygdalina gebruikten. Ze kauwden het blad, slikten het sap in en spuugden de vezels uit. Binnen 24 uur verbeterde hun conditie. Analyse liet zien dat de plant antiparasitaire stoffen bevatte.
Later onderzoek bij gedomesticeerde dieren bevestigde dit patroon. Villalba en Provenza (2005) lieten zien dat lammeren met parasitaire belasting actief kozen voor tanninerijke planten, terwijl gezonde dieren diezelfde planten meden. De keuze veranderde dus met de interne toestand van het dier.
Recente overzichtsstudies (Villalba, Ramsey & Atanasiadou, 2024) benadrukken het belang van botanische diversiteit in weides en rantsoenen. Niet omdat elke plant altijd “goed” is, maar omdat secundaire plantenstoffen zoals polyfenolen en terpenen dieren de mogelijkheid geven zichzelf bij te sturen. Dit verlaagt de afhankelijkheid van medicatie en ondersteunt veerkracht en sluit beter aan bij hoe herbivoren biologisch functioneren.
Hoe zelfselectie werkt: het reuksysteem als sleutel.
Zelfselectie wordt gestuurd door sensorische modulatie. Dat betekent dat geur- en smaakwaarneming veranderen afhankelijk van wat het lichaam nodig heeft. Dit is een eeuwenoud hormonaal aangestuurd proces. Veranderingen in hoe geur en smaak worden waargenomen onder invloed van interne signalen zoals ontsteking, stress, hormonale schommelingen of tekorten.
Dieren beschikken over een extreem verfijnd reuksysteem (Niimura et al., 2014):
- paard: ± 1.066 olfactorische receptoren
- hond: ± 1.094
- kat: ± 877
- konijn: ± 768
- cavia: ± 796
- mens: ± 396
Daarnaast beschikken veel diersoorten over het vomeronasaal orgaan (orgaan van Jacobson), dat grotere moleculen en feromonen detecteert en direct gekoppeld is aan het limbisch systeem, het emotionele centrum van de hersenen.
Dat paarden hier actief gebruik van maken, blijkt onder andere uit onderzoek waarin zij menselijke emoties kunnen onderscheiden via geur. Sabiniewicz et al., (2022) lieten zien dat paarden angst en ontspanning bij mensen herkennen via zweetgeur, met meetbare veranderingen in hartslag en gedrag.
Ditzelfde systeem speelt ook een rol bij zelfselectie. Geur wordt niet neutraal waargenomen. De aantrekkelijkheid van een geur verandert afhankelijk van de fysiologische toestand van het dier. Wat vandaag aantrekkelijk is, kan morgen volledig genegeerd worden. Dat is geen willekeur, maar informatie.
Evolutie en referentiekader: waarom context alles bepaalt.
Zelfselectie wordt vaak of geromantiseerd of afgedaan als onbetrouwbaar. Beide zijn onterecht.
Een cruciaal punt dat vaak ontbreekt, is dit: wij hebben besloten dieren te houden.
En daarmee hebben we hun natuurlijke referentiekader beperkt.
Zelfs een paard met weidegang, kruiden en variatie leeft niet in een onbeperkte omgeving. Het aanbod is eindig, seizoensgebonden en door mensen bepaald.
Dat betekent dat een dier soms:
- wel voelt dat er iets nodig is
- maar niet kan vinden wat het precies zoekt
In zo’n situatie zal het dier zoeken naar het dichtstbijzijnde alternatief. Niet omdat zelfselectie faalt, maar omdat het lichaam probeert te werken binnen de grenzen die wij hebben opgelegd.
Dit verklaart waarom dieren soms planten kiezen die wij als “ongeschikt” of zelfs “giftig” bestempelen. Het gaat dan niet om roekeloosheid, maar om een signaal: het juiste aanbod ontbreekt. Zelfselectie werkt alleen betrouwbaar binnen een passend kader. Dat kader is onze verantwoordelijkheid.
Een cruciale nuance: zelfselectie werkt alleen als het lichaam kan voelen. En dit is het punt dat vaak vergeten wordt. Zelfselectie is geen magisch veiligheidssysteem dat altijd perfect werkt.
Het is een biologisch vermogen dat alleen zo betrouwbaar is als het lichaam dat het gebruikt.
Dieren die langdurig:
- pijn hebben gehad
- onder stress hebben gestaan
- veel medicatie hebben gekregen
- structureel over hun grenzen zijn gegaan
- of een langdurig verstoord metabolisme hebben kunnen een tijdelijk verminderd lichaamsgevoel hebben.
Dat betekent niet dat zelfselectie “niet werkt”. Het betekent dat het lichaam opnieuw moet leren luisteren.
In die fase kan:
- selectie trager verlopen
- onduidelijker zijn (1 kruid kiezen in plaats van verschillende)
- of tijdelijk minder scherp (alleen voor de geur gaan en niet opeten)
Dat is geen falen van het principe, maar een signaal van hoe ver een dier van zichzelf is geraakt. Zelfselectie vraagt daarom: tijd, veiligheid, rust en een kloppende basis.
Soms weken, soms maanden. Niet alles hoeft meteen zichtbaar of spectaculair te zijn.
De disbalans is ook niet in een dag ontstaan en kost (vaak veel) tijd om op te lossen.
Waarom kruidenmixen dit probleem niet oplossen
Hier is nuance nodig. Een zorgvuldig samengestelde kruidenmix kan in acute of specifieke situaties ondersteunend zijn, zeker onder begeleiding en afgestemd op het individuele dier.
In de praktijk blijkt juist dat wanneer je met zelfselectie aan de slag gaat, dieren vaak verrassend goed zelf kunnen bepalen wat wel en niet passend is.
Structureel gezien belemmert een mix het principe van zelfselectie.
Waarom?
Omdat:
- geen twee dieren hetzelfde microbioom hebben
- geen twee dieren dezelfde belasting dragen
- geen twee dieren dezelfde herstelroute nodig hebben
Zelfs dieren op dezelfde stal, met hetzelfde hooi en krachtvoer, maken bij vrije keuze structureel andere selecties.
Om acceptatie te verhogen, worden vaak aromatische kruiden toegevoegd, zoals anijs, venkel of zoethout. Niet omdat ze nodig zijn, maar om smaak te maskeren. Daarmee wordt het natuurlijke keuzemechanisme overschreven. Mixen bestaan vaak uit fijne kruiden.
Het dier kan niet meer selecteren. Het moet alles innemen. Wat voor het ene dier ondersteunend is, kan voor het andere dier overbodig of storend zijn. Zelfselectie is individueel. Een mix is dat niet. Die twee principes staan fundamenteel haaks op elkaar.
Bovendien tonen studies risico's aan:
Bij overdosering ontstaan toxiciteit of onbalans, vooral bij dieren met beperkte detox-capaciteit. Onderzoek bij lammeren toont dat gedwongen PSM-inname (zoals in mixen) groei remt, terwijl vrije keuze dat niet doet (Villalba & Provenza, 2005).
Kanttekeningen: Veel studies zijn kortetermijn; lange-termijn effecten bij paarden ontbreken, en domesticatie vermindert instinct (Plyusnina et al., 2010 bij konijnen).
De vier pijlers van zelfselectie
Zelfselectie werkt alleen goed als aan vier voorwaarden wordt voldaan:
1. Vertrouwen
Niet alleen het vertrouwen van het dier in jou, maar ook jouw vertrouwen in het proces. Dieren reageren feilloos op spanning, twijfel en controle. Zelfselectie vraagt ruimte. Niet sturen, niet duwen, niet “even laten zien hoe het moet”. Het dier moet ruimte krijgen om te onderzoeken. Druk, twijfel of sturen door de mens verstoort het proces.
2. Herkomst en ervaring
Dieren die vroeg bij de moeder weg zijn gehaald of weinig sociale leerervaring hebben gehad, kunnen minder vaardig zijn in zelfselectie. Dat betekent niet dat het niet kan, maar wel dat begeleiding belangrijker wordt.
3. Voeding
Een lichaam dat structureel overbelast is door eenzijdige of suikerrijke voeding, kan tijdelijk verstoorde voorkeuren tonen. Dat herstelt vaak zodra de basis klopt. Daarom is een kloppende basisvoeding essentieel. Als bijvoorbeeld paarden of konijnen niet 24/7 toegang hebben tot hooi of weidegang kunnen ze andere vormen van ruwvoer tot zich gaan nemen om honger te stillen en hun spijsvertering op gang te houden. Dan neemt het overlevingssysteem het over van het zelfselectiesysteem. Uitzonderingen daar gelaten.
4. Medisch kader
Bij ziekte of medicatie is begeleiding of kennis van kruiden essentieel.
Sommige kruiden kunnen wisselwerken met medicijnen. Zelfselectie kan ondersteunen, maar vervangt geen medische zorg.
Vergiftiging: feit versus mythe
Vergiftiging door planten wordt vaak aangehaald als argument tegen zelfselectie. In werkelijkheid is het risico laag. Epidemiologisch onderzoek laat zien dat slechts een klein percentage van vergiftigingen bij huisdieren door planten wordt veroorzaakt, meestal door exotische kamerplanten of ongelukken (Bernardini et al., 2010).
In natuurlijke contexten reguleren dieren hun opname. Ze eten kleine hoeveelheden, combineren planten en stoppen wanneer het genoeg is.
Risico’s ontstaan vooral bij:
- honger
- beperkte keuze
- of onnatuurlijke situaties
Dat is geen argument tegen zelfselectie, maar voor betere randvoorwaarden.
Praktisch werken met zelfselectie.
Begin eenvoudig. Bied losse kruiden aan, grof, herkenbaar en in kleine hoeveelheden. Een klein handje is vaak al genoeg. Laat het dier snuffelen, likken, eten of weggaan. Forceer niets. Observeer patronen over tijd, zonder verwachtingen.
Voorbeelden van kruiden die vaak geschikt zijn als startpunt:
- smalle en brede weegbree
- paardenbloemblad of -wortel
- kleefkruid
- kamille
- goudsbloem
- frambozen- en braamblad
- luzerne
- gerstegras en groene haver
- pompoenpitten en hennepzaad
Laat het dier het tempo bepalen. Je kunt kruiden aanbieden in bakjes, van de hand of op de grond.
Conclusie: samenwerken met het dier
Zelfselectie is geen wondermiddel en geen vervanging van veterinaire zorg. Het is een biologisch vermogen dat een waardevolle aanvulling kan zijn op goede voeding, management en medische begeleiding.
Het vraagt van ons:
- minder controle
- meer observatie
- en de bereidheid om te accepteren dat niet alles maakbaar is
Maar wie durft te kijken en luisteren, ziet iets bijzonders:
dieren die, binnen de juiste grenzen, vaak precies weten wat ze nodig hebben.
Tot slot: over supplementen, medicatie en realisme
In de praktijk komt hier vaak nog een vervolgvraag bij:
Hoe zit het dan met supplementen? En waar ligt het verschil met medicatie?
Ook daar is nuance nodig.
Supplementen en mineralen kunnen in principe ook binnen zelfselectie worden aangeboden, mits:
- ze biologisch herkenbaar zijn voor het dier
- niet chemisch gemanipuleerd
- en los van elkaar beschikbaar
Een goed ingericht mineralenbuffet, denk aan afzonderlijke mineralen, klei, zout, sporenelementen, sluit hier het meest bij aan. Wateremmers met losse mineralen komen dicht in de buurt van hoe dieren dit in een natuurlijke context ook zouden benaderen. Het dier kan kiezen, doseren en stoppen.
Medicatie is iets anders.
Geneesmiddelen zijn ontwikkeld op basis van geïsoleerde of synthetische stoffen, vaak in concentraties die evolutionair gezien niet herkenbaar zijn voor het dier. Dat is geen waardeoordeel, maar een constatering. Medicatie grijpt in, waar zelfselectie bijstuurt.
Daarom geldt hier een duidelijke grens:
- zelfselectie kan ondersteunen
- kruiden kunnen begeleiden
- maar bij medicatie hoort overleg met een dierenarts en/of natuurgeneeskundige
Niet omdat kruiden “gevaarlijk” zijn, maar omdat interacties reëel zijn en het lichaam soms al maximaal belast is.
Dit onderstreept nogmaals de kern van dit verhaal:
er bestaat geen absoluut veilig systeem.
Niet bij mixen.
Niet bij losse kruiden.
Niet bij zelfselectie.
Wat wel bestaat, is een verschil in hoe transparant het systeem is.
Zelfselectie maakt zichtbaar:
- wat een dier opzoekt
- wat het mijdt
- wanneer het stopt
- en wanneer voorkeuren verschuiven
Tot slot
Zelfselectie is geen dogma en geen belofte.
Het is een biologisch vermogen dat extra tot zijn recht komt binnen goede randvoorwaarden.
Wie het verheerlijkt, maakt het onveilig.
Wie het afwijst, miskent het dier.
De waarheid zit, zoals zo vaak, niet in zwart of wit, maar in aandacht, kennis en nuance.
En precies daar begint goed zorgen voor dieren!
Onderbouwing en Bronnen
Deze visie is gebaseerd op kennis uit de voedingsfysiologie van dieren, wetenschappelijke literatuur over pH, fermentatie en darmgezondheid, praktijkervaring met paarden en konijnen met maag- en darmklachten, principes uit de zoöfarmacognosie zoals beschreven door Caroline Ingraham en veterinaire inzichten rondom maagzweren en het darmmicrobioom.
Referenties:
Bernardini, C., et al. (2010). Plant poisoning in domestic animals: Epidemiological data from an Italian survey (2000–2011).
Huffman, M. A., & Seifu, M. (1989). Observations on the illness and consumption of a possibly medicinal plant (Vernonia amygdalina) by a wild chimpanzee in the Mahale Mountains National Park, Tanzania.
Niimura, Y., Matsui, A., & Touhara, K. (2014). Expansion of the gene family encoding olfactory receptors in vertebrates.
Plyusnina, I., et al. (2010). Domesticating the rabbit: Effects on brain morphology and behavior.
Rodríguez, E., & Wrangham, R. (1993). Zoopharmacognosy: The use of medicinal plants by animals.
Sabiniewicz, A., Tarnowska, K., Świątek, R., & Sorokowski, P. (2022). Olfactory-based interspecific recognition of human emotions: Horses can recognize fear and happiness body odour from humans.
Villalba, J. J., & Provenza, F. D. (2005). Foraging in domestic herbivores: Linking the internal and external milieu.
Villalba, J. J., Ramsey, J. J., & Atanasiadou, S. (2024). Herbivory and the power of phytochemical diversity on animal health.
Boeken en lesmateriaal:
Animal Self-Medication - Caroline Ingraham - ISBN: 978-0-9524827-6-5
Silverlinde lesmateriaal - Aromatherapie - Margriet Cremers
Silverlinde lesmateriaal Kruidengeneeskunde - Monique van Riel
Manawe lesmateriaal - Monique van Riel








