Waarom onverpakt hooi de beste keuze is voor je paard.
Een nuchtere kijk op ruwvoer, spijsvertering en lange termijn gezondheid.
Veel problemen bij paarden ontstaan niet op het moment dat ze zichtbaar worden. Ze bouwen zich langzaam op. Soms weken, maanden of jarenlang zonder duidelijke signalen. Totdat het lichaam ergens de grens bereikt.
In de praktijk zie je dit elk voorjaar terug. Paarden gaan de wei op en ineens ontstaan klachten: onrust, jeuk, hoefbevangenheid, mestproblemen of gedragsveranderingen. Al snel wordt de conclusie getrokken dat het aan het gras ligt. Terwijl gras, mits gevarieerd en passend bij het paard, juist het meest natuurlijke basisdieet is dat er bestaat.
De overgang naar gras is zelden de oorzaak, maar vaak het moment waarop een bestaande disbalans zichtbaar wordt.
Wat daarbij vaak over het hoofd wordt gezien, is ruwvoer dat biologisch niet goed aansluit bij het paard. Dat kan verpakt ruwvoer zijn, maar net zo goed hooi van onvoldoende kwaliteit of een rantsoen met te weinig variatie. Hierdoor verschuift de darmflora langzaam en gaat het lichaam compenseren. Zolang dat lukt, zie je weinig. Maar zodra de balans verder onder druk komt te staan, wordt zichtbaar wat er al langer speelde.
Onderzoek laat zien dat rantsoenen met gefermenteerd ruwvoer, zoals voordroog, de baseline-insuline kunnen verhogen, waardoor de overgang naar gras risicovoller wordt (Mackie et al., 2018). Dat betekent niet dat elke wei automatisch gezond is. Percelen die hoofdzakelijk uit raaigras bestaan, eenzijdige bemesting en het ontbreken van kruiden vormen op zichzelf ook risico’s. Maar het is te eenvoudig om gras als boosdoener aan te wijzen, terwijl de basis vaak al is ondermijnd (Muhonen et al., 2009).
Wie wil begrijpen wat er echt gebeurt, moet terug naar de basis. Naar ruwvoer. Naar hoe het wordt gemaakt, opgeslagen en verteerd. En vooral naar de vraag of het past bij de fysiologie en evolutie van het paard.
Ruwvoer is niet gewoon ruwvoer
Ruwvoer vormt de kern van het paardenrantsoen. Het levert vezels, houdt de darmmotor draaiende en bepaalt in grote mate de pH in maag en darmen. Maar hoe dat ruwvoer is geoogst en opgeslagen, maakt een wereld van verschil.
Kuil
Kuil is nat gras dat luchtdicht wordt verpakt. Het droge stofgehalte ligt meestal tussen de 20 en 40 procent. Door het ontbreken van zuurstof ontstaat een anaeroob milieu waarin melkzuurbacteriën het gras fermenteren.
Het resultaat is een zuur product met een lage pH. Op papier voedzaam, in de praktijk vaak te zuur en te nat voor paarden. Daarnaast is het risico op ongewenste bacteriën, waaronder clostridia, reëel wanneer het fermentatieproces niet perfect verloopt (Müller, 2007).
Voordroog
Voordroog zit tussen kuil en hooi in, met een droge stof van ongeveer 40 tot 70 procent. Ook hier is sprake van luchtdichte opslag en fermentatie, zij het milder.
Het wordt vaak gekozen omdat het stofarm is en praktisch te voeren. Biologisch blijft het echter een gefermenteerd product. De pH is lager dan bij hooi en de microbiologische samenstelling wijkt fundamenteel af van die van droog ruwvoer.
Zelfs als fermentatie stabiliseert na de initiële fase, blijven de zuren en bacteriën aanwezig, wat de darm-pH kan beïnvloeden (Muhonen et al., 2009). Het is geen 'neutraal' product meer.
Hooi
Hooi is gedroogd gras met een droge stof boven de 85 procent. Het wordt opgeslagen met zuurstof en ondergaat geen fermentatie. De pH is neutraal en het product blijft stabiel.
Dit is het ruwvoer waarop paarden evolutionair zijn afgestemd: droge vezels, langdurige kauwactiviteit en een stabiele omgeving voor maag en darmen.
Belangrijk om te begrijpen is dat exact dezelfde grassoort, zodra zuurstof verdwijnt, biologisch een totaal ander product wordt. En dat heeft directe gevolgen voor het paard.
Waarom onverpakt hooi beter aansluit bij het paard.
pH-balans en maaggezondheid
De paardenmaag is gevoelig. Het onderste deel produceert continu zuur, terwijl het bovenste deel daar nauwelijks tegen beschermd is. Kauwen en speeksel zijn essentieel om dit zuur te bufferen.
Hooi stimuleert langdurig kauwen en daarmee speekselproductie. Dat speeksel bevat bicarbonaat en helpt de maag-pH stabiel te houden. Gefermenteerd ruwvoer brengt extra zuren in het systeem en kan die balans verder onder druk zetten (Müller et al., 2008).
Ook in de dikke darm is pH cruciaal. Voor een gezonde fermentatie is een pH rond de 6 tot 7 wenselijk. Bij gefermenteerd ruwvoer zakt die pH sneller, waardoor gunstige vezelafbrekende bacteriën onder druk komen te staan en het microbieel evenwicht verschuift (Muhonen et al., 2009).
Vanuit een holistische blik zie je dan niet alleen darmklachten, maar ook effecten op weerstand, huid, gedrag en herstelvermogen.
Kauwen, tijdsbesteding en rust
Een paard is een grazer. Hij eet zestien tot achttien uur per dag. Hooi vraagt tijd, moeite en kaakactiviteit. Dat geeft rust in het zenuwstelsel, maag- darmkanaal en een natuurlijke dagstructuur.
Voordroog en kuil worden sneller gegeten. Minder kauwen betekent minder speeksel en meer maagzuurbelasting (Moore-Colyer et al., 2003). In de praktijk zie je bij deze paarden vaker onrust en stereotiep gedrag.
Onbeperkt hooi, eventueel aangeboden via slowfeeders, sluit hier simpelweg beter op aan.
Lactaat: wat gebeurt er in de darm?
Bij gefermenteerd ruwvoer zoals voordroog en kuil spelen melkzuurbacteriën een grotere rol dan bij hooi. Deze bacteriën produceren lactaat als tussenproduct van hun vertering.
In een gezonde paardendarm wordt lactaat normaal gesproken snel omgezet door andere bacteriën naar vluchtige vetzuren, zoals acetaat en propionaat. Die vormen een belangrijke energiebron voor het paard. Dat systeem functioneert echter alleen goed zolang het microbieel evenwicht intact blijft en de pH stabiel is (Müller et al., 2008).
Onderzoek laat zien dat rantsoenen met gefermenteerd ruwvoer leiden tot verschuivingen in lactaatproductie en microbioomsamenstelling (Muhonen et al., 2009). Dat maakt een paard niet direct ziek, maar vraagt wel voortdurende aanpassing van het lichaam.
Lactaat is voor het paard geen eindproduct. Het moet via de lever worden omgezet naar glucose voordat het bruikbaar wordt als energie. Dat is een omweg, kost energie en zuurstof en past minder goed bij de natuurlijke fermentatie waarop het paard is afgestemd. “Makkelijk verteerbaar” is daarmee niet automatisch “biologisch logisch”.
Zelfselectie en waarom paarden soms toch voor kuil kiezen.
Binnen de zoöfarmacognosie, het principe waarbij dieren instinctief kiezen wat ze nodig hebben, zie je dat paarden voorkeuren kunnen hebben die niet per se gezond zijn op de lange termijn.
Uit onderzoek blijkt dat paarden in keuzetests regelmatig een voorkeur laten zien voor kuil of voordroog boven hooi (Hills et al., 2002). Dat wordt vaak aangehaald als bewijs dat dit ruwvoer “dus geschikt” zou zijn.
Maar voorkeur is geen bewijs voor biologische geschiktheid.
Om dat te begrijpen, gaan we terug naar de evolutie. In het wild komt kuil niet voor. Gras fermenteert niet luchtdicht, wordt niet verpakt en ontwikkelt geen hoog melkzuurgehalte. Waar paarden evolutionair wel op zijn afgestemd, is variatie in vers gras, verdrogend gras, structuurrijke planten en kruiden.
Kuil en voordroog zijn producten met een relatief hoog eiwit- en suikergehalte en een sterke geur. Ze leveren snel beschikbare energie. Voor een vluchtdier is dat aantrekkelijk. Snelle energie kan in een noodsituatie functioneel zijn.
Maar die situatie vormt geen natuurlijke basis. Het paard heeft geen evolutionair referentiekader om gefermenteerd gras als ongeschikt te herkennen. De keuze wordt gemaakt op basis van directe prikkels, geur, smaak, energie, niet op basis van lange termijn belasting van darmflora en stofwisseling.
Zelfselectie werkt alleen betrouwbaar binnen een natuurlijk keuzekader. Buiten dat kader kan een keuze logisch lijken, maar biologisch toch belastend zijn.
Kritisch kijken naar onderzoek.
Er wordt regelmatig verwezen naar onderzoeken waarin voordroog of kuil als “geschikt” wordt bestempeld voor gezonde paarden. Wie deze studies daadwerkelijk leest, ziet dat het merendeel kortdurend is en vooral kijkt naar praktische aspecten zoals stofbelasting, smakelijkheid en opname (Muhonen, 2008).
Wat vrijwel ontbreekt, is langetermijnonderzoek. We weten nauwelijks wat jarenlang voeren van gefermenteerd ruwvoer doet met darmflora, darmwand, immuunsysteem en stofwisseling.
Tegelijkertijd is er wel duidelijk onderzoek bij paarden en pony’s met metabole problemen, zoals insulinedysregulatie en EMS. In die groep laat onderzoek consequent zien dat gefermenteerd ruwvoer ongewenste effecten kan hebben, waaronder een sterkere insulinerespons en verstoring van de darmfunctie (Mackie et al., 2018). De conclusie is helder: deze dieren zouden geen voordroog of kuil moeten krijgen.
Het idee dat eenzelfde voer ongeschikt is voor gevoelige dieren, maar zonder risico voor gezonde paarden, is biologisch niet logisch. Gevoelige dieren zijn geen aparte diersoort. Ze zijn vaak het eindpunt van processen die bij gezonde dieren al jaren eerder beginnen, maar nog niet zichtbaar zijn.
Gezondheid is geen vast gegeven, maar een dynamische toestand. Gezonde dieren worden niet zomaar ziek. Daar gaat altijd iets aan vooraf.
Stof, schimmel en nuance.
Goed hooi is geen stoffige rommel. Hooi van zorgvuldig beheerde, biodiverse weides, correct gedroogd en opgeslagen, is stabiel en veilig (Müller, 2011).
In de praktijk zie je bij dit type hooi juist minder ademhalingsklachten dan bij voordroog, waar bacteriële belasting een rol kan spelen. Kruidenrijke weides leveren daarnaast meer sporenelementen en natuurlijke variatie, wat het immuunsysteem ondersteunt.
Schimmel in hooi ontstaat vaak door slechte opslag of hoog vocht, maar is te voorkomen met goed drogen en ventilatie (Müller, 2011).
Plastic: een vergeten factor.
Kuil en voordroog zijn volledig afhankelijk van plastic om stabiel te blijven. Niet elk plastic is daarvoor geschikt. Dunne of gekleurde folies zijn gevoeliger voor beschadiging, UV-afbraak en zuurstofinslag, zeker bij opslag langer dan enkele maanden. In de praktijk blijkt dat alleen zeer dik, zwart landbouwplastic langdurige bescherming biedt.
Zodra zuurstof binnendringt, verandert het product opnieuw. Schimmels, gisten en ongewenste bacteriën krijgen dan vrij spel (O’Brien et al., 2008).
Daarbovenop komt de milieubelasting. Grote hoeveelheden plastic, vaak eenmalig gebruikt, met een reëel risico op microplastics in bodem en omgeving. Uit onderzoek bij landbouwhuisdieren, zoals runderen, is bekend dat microplastics het darmmicrobioom kunnen beïnvloeden en ontstekingsprocessen kunnen versterken (Environmental Pollution, 2022). Of en in welke mate dit bij paarden een rol speelt, is nog onvoldoende onderzocht.
Maar ook hier geldt: als een risico vermijdbaar is, is voorzichtigheid logisch.
Hooi heeft dit allemaal niet nodig. Geen plastic, geen fermentatie, geen afhankelijkheid van een perfect afgesloten systeem.
Houdbaarheid en praktische kant.
Een geopende, verpakte, baal komt in contact met zuurstof. Daarmee start een proces van secundair bederf, waarbij gisten en, afhankelijk van omstandigheden, ook schimmels kunnen groeien. Hoe snel dit gebeurt, hangt af van factoren zoals de kwaliteit van de fermentatie, de pH, de temperatuur, de baalgrootte en het tempo van voeren. Een goed gemaakte baal kan bij koel weer en snelle opname enkele dagen stabiel blijven, maar het risico op bederf neemt toe naarmate de omstandigheden minder ideaal zijn.
Hooi is in dit opzicht veel stabieler. Omdat het niet afhankelijk is van een zuurstofvrij milieu en een lager vochtgehalte heeft. Het blijft maanden stabiel en past in de voerstrategie voor paarden (Müller, 2007).
Conclusie: terug naar wat klopt.
Onverpakt hooi sluit het beste aan bij de fysiologie, evolutie en natuurlijke eetbehoefte van het paard. Het ondersteunt een stabiele pH, stimuleert kauwen, geeft rust en vormt een solide basis voor zelfselectie en aanvullende kruiden.
Verpakt ruwvoer lijkt praktisch, maar vraagt voortdurend aanpassing van het lichaam. Dat kan lang goed gaan, tot het niet meer lukt.
Goede zorg begint bij de basis. En soms is die basis gewoon logisch nadenken, kijken naar de natuur en durven kiezen voor wat klopt.
In acute situaties, zoals ernstige luchtwegproblemen, kan tijdelijk een andere aanpak nodig zijn, bijvoorbeeld hooi stomen of het inzetten van hooispray. Ook dan blijft hooi het uitgangspunt.
Referenties:
Müller, C. E., Pauly, T. M., & Udén, P. (2007).
Storage of small bale silage and haylage – influence of storage period on fermentation variables and microbial composition. Grass and Forage Science.
Müller, C. E., & Udén, P. (2006).
Preference of horses for grass conserved as hay, haylage or silage. Animal Feed Science and Technology.
Muhonen, S., Julliand, V., Lindberg, J. E., Bertilsson, J., & Jansson, A. (2009).
Effects on the equine colon ecosystem of grass silage and haylage diets after an abrupt change from hay. Journal of Animal Science.
Muhonen, S. (2008).
Metabolism and hindgut ecosystem in forage-fed sedentary and athletic horses. Acta Universitatis Agriculturae Sueciae.
Moore-Colyer, M. J. S., Morrow, H. J., & Longland, A. C. (2007).
Mathematical modelling of digesta passage rate, mean retention time and in vivo apparent digestibility of two different lengths of hay and big-bale grass silage in ponies. British Journal of Nutrition.
Harris, P. A., Ellis, A. D., Fradinho, M. J., Jansson, A., Julliand, V., Luthersson, N., Santos, A. S., & Vervuert, I. (2017).
Review: Feeding conserved forage to horses: recent advances and recommendations. Animal Feed Science and Technology.
Zhu, Y., Wang, X., Deng, L., Chen, S., Zhu, C., & Li, J. (2021).
Effects of pasture grass, silage, and hay diet on equine fecal microbiota. Animals.
Leng, J., McNally, S., Walton, G., Swann, J., Proudman, C., Argo, C., Emery, S., La Ragione, R., & Eustace, R. (2021).
Hay versus haylage: forage type influences the equine urinary metabolome and faecal microbiota. Equine Veterinary Journal.
Dicks, L. M. T., Botha, M., Dicks, E., & Botes, M. (2014).
The equine gastro-intestinal tract: an overview of the microbiota, disease and treatment. Anaerobe.
Wunderlich, G., Bull, M., McGilchrist, N., Zhao, C., Ross, T., Rose, M., & Chapman, B. (2024).
The horse gut bacteriome and anaerobic mycobiome are influenced by seasonal forages and small intestinal starch digestibility. Journal of Applied Microbiology.
Van den Berg, M., Hoskin, S., Rogers, C. W., & Grinberg, A. (2013).
Fecal pH and microbial populations in Thoroughbred horses during transition from pasture to concentrate feeding. Journal of Equine Veterinary Science.
Brandi, L. A., et al. (2024).
Dietary energy sources affect cecal and fecal microbiota of healthy horses. Animals.
Li, F., Kong, X., Khan, M. Z., Wei, L., Wei, J., Zhu, M., Liu, G., Huang, B., Wang, C., & Zhang, Z. (2024).
Gut microbiome regulation in equine animals: current understanding and future perspectives. Animals.
Müller, C. E. (2011).
Assessment of hygienic quality of haylage fed to horses. Grass and Forage Science.
O’Brien, M., O’Kiely, P., Forristal, P. D., & Fuller, H. T. (2008).
Fungal contamination of big-bale grass silage on Irish farms. Grass and Forage Science.
Andersen, B., Phippen, C., Frisvad, J. C., Emery, S., & Eustace, R. A. (2019).
Fungal and chemical diversity in hay and wrapped haylage for equine feed. Journal of Stored Products Research.
Intemann, S., Reckels, B., Schubert, D., Wolf, P., Kamphues, J., & Visscher, C. (2022).
The hygienic status of different forage types for horses. Animals.
Séguin, V., et al. (2011).
How to improve the hygienic quality of forages for horse feeding. Animal Feed Science and Technology.
Olave, C. J., Ivester, K. M., Couetil, L. L., Kritchevsky, J. E., Tinkler, S. H., & Mukhopadhyay, A. (2021).
Dust exposure and pulmonary inflammation in racehorses fed dry hay or haylage. Journal of Veterinary Internal Medicine.
Olave, C. J., et al. (2023).
Effects of low-dust forages on dust exposure, airway cytology, and plasma omega-3 concentrations in racehorses. Equine Veterinary Journal.
Carslake, H. B., Argo, C. M., Pinchbeck, G. L., Dugdale, A. H. A., & McGowan, C. M. (2018).
Insulinaemic and glycaemic responses to three forages in ponies. The Veterinary Journal.
Köninger, M., et al. (2024).
Nutrient composition and feed hygiene of alfalfa: metabolic parameters in horses fed alfalfa haylage, alfalfa hay or meadow hay. Animals.
Lackner, M., & Branka, M. (2024).
Microplastics in farmed animals – a review. Microplastics.
Environmental Pollution (2022).
Microplastics in livestock and their potential effects on gut microbiota and inflammation. Environmental Pollution.
Boek: Animal Self-Medication - Caroline Ingraham - ISBN: 978-0-9524827-6-5








